Dit sprookje begint op een winterse dag in de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw. Aan de Prins Mauritslaan 107 in Overveen neemt een man afscheid van zijn bezoek en sluit de voordeur. Hij draait zich om en zucht eens diep. De rust in huis is teruggekeerd. Maar in zijn hoofd lijkt iets te zijn aangewakkerd. Iets unieks. Iets groots. Iets waarvan hij op dat moment onmogelijk kan vermoeden welke gevolgen het zal gaan hebben voor hem, voor zijn werk en voor de wijze waarop zijn land sprookjes beleeft.

Het jaar is 1952. De man is Anton Pieck. Hij heeft zojuist een dolenthousiaste Peter Reijnders uitgelaten. Deze Eindhovense cineast moest Pieck overhalen de ontwerpen te maken voor het nieuw te openen Sprookjesbos in de Efteling. Pieck zag hier aanvankelijk weinig in, maar lijkt nu te zijn gezwicht voor de overtuigingskracht van Reijnders. Een bijzondere samenwerking is geboren. In de maanden erna ontwerpt Anton Pieck, 57 jaar oud, de eerste tien sprookjes.

Deze sprookjes legden de kiem voor één van Europa’s grootste attractieparken. Maar ze bleken bovendien van grote invloed op het beeld dat ‘het sprookje’ bij de Nederlander opriep. Waar men gewend was sprookjes van papier te lezen of te vertellen, haalde Pieck ze uit het boek en maakte hij er driedimensionale prenten van. Letters werden lijnen. Lezers werden bezoekers. Men stond erbij en keek ernaar. Wat men zag was geen buitensporig doorontwikkeld en kleurrijk decor. De hand van Pieck koos een heel andere wereld. Hij koos zijn eigen wereld, een nostalgische wereld in ingetogen kleuren en uit degelijke materialen. Romantiek door puurheid. Finesse door eenvoud.

Decennialang schuifelden ontelbaar veel kinderschoentjes langs zijn ontwerpen. Pieck creëerde een sfeer waarin de kinderen van toen, als de ouders van nu, nog steeds hun sprookjes doorgeven. Voor velen zijn zijn vertalingen van Hans en Grietje, Roodkapje en Doornroosje de standaard geworden. Ze zitten in ons collectieve geheugen, en dragen daarmee in belangrijke mate bij aan het behoud van dit stuk cultureel erfgoed.

In de nacht van woensdag 25 november 1987 verloor Nederland haar geliefde illustrator. Pieck’s potlood zweeg voorgoed. Maar zijn erfenis bloeit tot op de dag van vandaag in een sprookjesachtig bos in Brabant. Het is zijn hand die hier nog jaarlijks miljoenen bezoekers meevoert in een unieke wereld. Dat die hand succesvol geleend kan worden bewezen zijn opvolger Ton van de Ven en het huidige team van imagineers.

In 1995 verwierf Pieck een plek in de illustere ‘Hall of Fame’ van de IAAPA, de International Association of Amusement Parks and Attractions. Hij zou dat jaar 100 zijn geworden. Een postume eer voor een man die in veel opzichten een warm plekje in onze vaderlandse geschiedenis inneemt. Zijn werk zal tot in een verre toekomst die ongeëvenaarde sfeer blijven oproepen. Op papier, maar zeker ook op die bijzondere plek waar hij zich aanvankelijk niet aan wilde verbinden, maar waar hij al snel een onmisbare vader van het succes bleek te zijn … Het Sprookjesbos.

In een interview met de website ‘De Vijf Zintuigen’ omschreef voormalig adjunct-directeur van de Efteling, Reinoud van Assendelft de Coningh, het Sprookjesbos heel treffend: “Het is de plek waar voor heel veel Nederlanders hun mooiste jeugdherinneringen zijn gemaakt. Een prachtige, magische plek waar je nog in sprookjes mag geloven.”

Een magische plek vol herinneringen. Het was de wens van Anton Pieck toen hij het Sprookjesbos ontwierp. Die wens kwam uit. En hoe. Sinds de opening in 1952 zijn hier oneindig veel jeugdherinneringen gemaakt. En iedere dag opnieuw wachten er oneindig veel meer om te worden gevonden.